Jrg 22 no 4 juli 2025
Geen poppen, geen prestige, maar roeping en passie
Tekst Carla Bakboord
In aanloop naar de historische presidentsverkiezing van 2025, heeft één naam opvallend centraal gestaan: Jenny Simons. Arts, voormalig voorzitter van De Nationale Assemblée, visionair en de eerste vrouwelijke president van Suriname. In dit exclusieve interview spreekt Simons openhartig over haar opvoeding, leiderschapsstijl, en haar visie op gelijkheid tussen vrouwen en mannen. Geen fraaie woorden voor de vorm, maar overtuigingen die zij daadwerkelijk in de praktijk heeft gebracht. “Ik heb nooit gewerkt met het idee dat ik een probleem zou hebben omdat ik een vrouw ben. Ik deed gewoon wat ik vond dat ik moest doen.”
Het verhaal van Simons begint niet in de politieke arena, maar in een gezin waar traditionele genderrollen subtiel werden uitgedaagd. “Mijn moeder was haar tijd ver vooruit, en zij is mijn grootste liefde. Ze zei altijd: ‘Je moet alleen trouwen met een man omdat je hem leuk vindt, niet omdat hij voor je moet zorgen.’” Hoewel ze elk jaar een pop kreeg voor haar verjaardag, verlangde ze naar boeken. “Ik zette die pop op mijn kast als ornament. Ik wilde lezen, bouwen, buiten spelen.” Toch waren de grenzen van wat ‘past bij een meisje’ nooit ver weg. Ze herinnert zich levendig hoe haar vader haar betrok bij het bouwen van een speedboot, maar haar uiteindelijk niet meenam voor de eerste vaart. “Alleen mijn broertje mocht mee. Mijn vader wilde mij kennelijk beschermen. Tot vandaag weet ik nog hoe dat voelde.”
Actieve politiek
Als arts kwam Simons in beeld na een scherpe publieke interventie rond misstanden in de zorg. Zo begon haar politieke loopbaan. “Ik had nooit de ambitie om in de actieve politiek te gaan. Maar ik deed wat ik nodig vond.” Ze werd opgemerkt, gevraagd en verkozen. “Misschien was er discriminatie, maar ik stond er niet bij stil,” zegt ze terugkijkend. “Ik heb altijd gewerkt zoals ik dacht dat het moest.” Die houding kenmerkt haar stijl: gedreven, inhoudelijk, samenwerkend. “Ik ben geen leider van ‘my way or the highway’. Ik werk het goed uit en neem mensen mee.”
Simons verzet zich tegen de gedachte dat vrouwen moeten ‘vermannen’ om serieus genomen te worden. “Vrouwen en mannen zijn voor 90 procent hetzelfde, maar op cruciale punten kijken we anders naar het leven. We kunnen niet gewoon veranderen in een man omdat we gelijkheid willen.” Ze wijst op de fysieke en sociale rollen van vrouwen. “Een vrouw heeft meer op haar hoofd. Dat moet je erkennen, niet wegpoetsen.” In de opvoeding van haar zonen koos ze bewust voor gesprekken over zorg, respect en emotionele verantwoordelijkheid. “Ik zei tegen mijn zonen: ‘Ik was ook ooit een meisje. Dus behandel meisjes zoals je mij behandelt.’”
Geen belemmering, maar verantwoordelijkheid
Opvallend aan Jenny Simons is dat zij haar vrouw-zijn nooit als belemmering heeft ervaren. “Ik heb nooit gewerkt met het idee dat ik een probleem zou hebben omdat ik een vrouw ben. Ik deed gewoon wat ik vond dat ik moest doen.” Ze begrijpt wel dat elke taak moeilijk is die inzet en verantwoordelijkheid vraagt. Waar anderen spreken van barrières, spreekt Simons van uitdagingen. “Of het nu moederschap was, mijn werk als arts, of de politieke functies die ik bekleedde, ik heb ze allemaal serieus genomen.” Ze stelt dat dit gevoel van ernst en plichtsbesef deels uit haar opvoeding komt. “Van mijn moeder leerde ik dat als je iets doet, je het goed moet doen. Niet half.”
Volgens haar is hier juist een belangrijk genderverschil zichtbaar. “Ik zie soms dat mannen functies aanvaarden met het idee: ‘dat doe je gewoon’. Terwijl ik denk: je moet begrijpen wat die taak inhoudt, je moet je erin verdiepen, je verantwoordelijk voelen.” Deze houding tekent ook haar visie op het presidentschap. Ze ziet het niet als bekroning, maar als nieuwe opdracht. “Ik neem het serieus. Ik weet wat het vraagt. En ik bereid me erop voor zoals ik dat altijd heb gedaan: met toewijding, inhoud en respect voor de mensen.” Voor Simons is vrouw-zijn nooit een hindernis geweest, niet omdat de obstakels er niet waren, maar omdat ze er nooit haar identiteit aan ophing. Haar moeder leerde haar zelfstandigheid, haar vader gaf haar vertrouwen, en samen legden ze de basis voor een houding waarin ze geen ruimte gaf aan twijfel over wat ze als vrouw kon bereiken.

De moederrol herwaarderen, niet idealiseren
Hoewel Simons de kracht van vrouwen als moeders erkent, waarschuwt ze ook voor de valkuil van idealisering. “We zeggen vaak: ‘Moeders zijn alles.’ Maar daarmee leggen we ook alles op hun schouders.” Ze benadrukt dat moederschap niet vanzelfsprekend moet betekenen dat vrouwen altijd als eerste verantwoordelijk zijn voor het gezin. “Vrouwen mogen ook rusten. Ook fouten maken. En ook nee zeggen.” Deze visie sluit aan bij haar bredere pleidooi voor balans. “Zolang we zorg en opvoeding vooral als vrouwenwerk blijven zien, blijven we ongelijkheid voeden. Pas als we het samen dragen, wordt het lichter voor iedereen.”
Vrouwen worden nog te vaak gestraft
Als arts zag Simons hoe gezondheidszorg vaak tekortschiet in gendersensitiviteit. “Ik zag vrouwen die niet op controle konden komen omdat hun schoonmoeder dat niet toestond. Dat soort dingen stoorden me mateloos.” Ze pleit voor beleid dat vrouwen niet straft voor het moederschap. “Een vrouw moet ongestraft moeder kunnen zijn, zonder dat haar carrière wordt belemmerd.” Ze noemt het Surinaamse ouderschapsverlof als stap in de goede richting. “Maar er moet meer gebeuren. We moeten naar systemen toe waarin zorg voor jonge kinderen als een gedeelde verantwoordelijkheid wordt gezien.” Simons pleit voor een samenleving waarin mannen en vrouwen als gelijkwaardige partners samenwerken, thuis, op de werkvloer, in het bestuur. “De manier waarop we nu leven, jaagt mensen op. We vragen te veel van vrouwen. En we betrekken mannen te weinig.”
Haar visie is helder: een maatschappij waarin zorg en werk hand in hand gaan. Waar vrouwen niet hoeven kiezen tussen moederschap en carrière. Waar mannen zonder gêne hun kinderen verzorgen. Waar geweld niet wordt weggelachen, maar erkend en aangepakt. In haar verhaal horen we geen strijdkreten, maar een doorleefde roep om menselijke waardigheid voor iedereen ongeacht gender, etniciteit, sociale afkomst of seksuele oriëntatie. “We zijn niet elkaars tegenpolen. We zijn elkaars aanvullingen. Als we dat durven zien, verandert alles.”
Huiselijk geweld
Bij het Women’s Rights Centre weten we dat geweld tegen vrouwen een structureel probleem is. Ook Simons is zich daar diep van bewust. “Ik heb als arts vrouwen gezien die in stilte leden. Geweld komt zelden zomaar aan het licht. Het leeft achter gesloten deuren, in schaamte en afhankelijkheid.” Ze benadrukt dat economische onafhankelijkheid, mentale weerbaarheid en sociale steun noodzakelijk zijn. En deze zijn al voor een groot deel in de programma’s vastgelegd. “We kunnen vrouwenrechten niet los zien van bescherming tegen geweld. En we kunnen dat geweld alleen duurzaam aanpakken als we ook mannen meenemen in dat gesprek.” Volgens Simons begint het bij opvoeding, onderwijs én wetgeving. “Het is niet genoeg om alleen wetten te hebben. De handhaving, de publieke bewustwording en de verandering van sociale normen zijn minstens zo belangrijk.”
Opvoeden tot menselijkheid
Misschien wel de meest opvallende uitspraak in dit gesprek is: “Je moet van een man een mens maken. Vrouwen zijn dat al.” Het is geen diskwalificatie van mannen, maar een pleidooi voor heropvoeding binnen patriarchale structuren. “Mannelijkheid zoals die vaak wordt aangeleerd, staat zorg, kwetsbaarheid en empathie in de weg. Dat is niet goed voor vrouwen, maar ook niet voor mannen zelf.” Simons pleit ervoor om jongens al vroeg te leren dat liefde, zorg en emotionele expressie krachtig zijn. “Anders raken ze vervreemdt van zichzelf en van hun kinderen. En dat zie je later terug in gebroken relaties en afstandelijke vaders.” Volgens haar is het essentieel om mannen als bondgenoten te zien. “Ze moeten niet weggeduwd worden, maar juist meegenomen in de emancipatie. Alleen dan wordt gendergelijkheid echt een gezamenlijke opdracht.”
Tijdens het gesprek deel ik met Simons een ervaring uit trainingen met mannen. De deelnemers zeiden: “Ik wil wel de kleren ophangen van mijn vrouw, maar ik kijk eerst of mijn buurman het doet.” We lachen samen, maar het onderwerp is ernstig. Simons knikt begrijpend. “Dat is precies wat ik bedoel. Die mannen willen wel, maar voelen zich gevangen in wat de omgeving van hen verwacht.” Ze vindt het noodzakelijk dat we mannen niet beschuldigen, maar uitnodigen. “Ze hebben ook iets moeten missen. Ze zijn vaak opgevoed met het idee dat zorg niet bij hen hoort. Dat is een gemis.” Ze wijst erop dat mannen niet alleen ruimte nodig hebben, maar ook voorbeelden. “Als je nooit hebt gezien dat een vader zijn baby vasthoudt of huilt om zijn kind, hoe moet je dan weten dat het mag?” Volgens Simons is dit geen bijzaak in het gendergelijkheidsverhaal, maar de kern.
“Als we mannen blijven wegzetten als probleem, gaan ze zich nooit betrokken voelen bij de oplossing. We moeten ze laten zien dat ze ertoe doen, ook in de wereld van zorg, opvoeding en kwetsbaarheid. Alleen dan wordt het echt gelijkwaardig.”

Voorbeeldfunctie die verder reikt dan het ambt
Wat betekent het voor Simons om de eerste vrouwelijke president van Suriname te worden? Simons lacht even, nadenkend: “Het is niet iets waarvoor ik heb gevochten. Maar als het gebeurt, draag ik die verantwoordelijkheid met eerbied.” Ze weet dat haar verkiezing voor veel vrouwen, vooral meisjes, iets losmaakt. “Ik hoop dat ze zien dat het kan. Dat je als meisje niet kleiner hoeft te dromen. Presidentschap is geen trofee. Het is een kans. Een kans om te laten zien dat het anders kan.” Ze is zich bewust van de kracht van representatie. “Meisjes moeten zichzelf in leiders zien. Maar ook mannen moeten leren dat vrouwelijke macht niet bedreigend is, maar aanvullend.”
Toch benadrukt ze dat symboliek alleen niet volstaat. “Ik zoek actief naar vrouwen voor ministersposten. Ze zijn er, maar vaak bescheiden. We moeten vrouwen ondersteunen om die stap te zetten.”
Leiderschap als offer, geen verlossing
Simons is zich scherp bewust van de verwachtingen die op haar rusten, juist als vrouw. “Ze verwachten meer van je,” zegt ze nuchter. “Maar die challenge maakt het juist interessanter. Ik vind het niet eng. Ik weet gewoon dat ik aan iets moois ben begonnen.” Toch waarschuwt ze mensen om hun hoop niet volledig op haar te projecteren. “Ik heb altijd gezegd: zoek geen Messias. Eén persoon gaat het niet veranderen. We moeten met z’n allen veranderen.” Leiderschap betekent voor haar niet het belichamen van de oplossing, maar het creëren van ruimte voor collectieve verandering. “Ik moet mensen kunnen overtuigen om mee te doen. Alleen dan komt er echt beweging.”
Ze zegt dat politiek geen prestigeproject is, maar een continue inzet. “Je leeft in een glazen huis. Mensen kijken voortdurend naar je. Je moet alles weten, alles volgen, iedereen spreken en intussen ook nog je kinderen beschermen tegen wat ze over je horen.” Ze spreekt over het persoonlijke offer dat politiek leiderschap vraagt. “Vrouwen willen vaak niet in de politiek omdat het je helemaal opslokt. Als je het goed wil doen, ben je er altijd mee bezig. En dat eist veel, ook van je gezin. Mijn man offert de laatste maanden enorm veel op.” Politiek leiderschap is voor Simons geen eer, geen last, maar een persoonlijke roeping. Geen goddelijke opdracht, maar een diepe overtuiging. “Ik ben hier niet toevallig. Ik zou niet anders werken, ook als niemand iets van me zou verwachten. Dit is wat ik moet doen.”