Van kritiek op een vrouwelijke president naar een oordeel over vrouwen   

Jrg 23 no 5 augustus 2026

Tekst Carla Bakboord 

Onlangs stuurde een bevriende activist mij een fragment met een uitspraak van parlementariër Cedric van Samson van de Vooruitstrevende Hervormings Partij (VHP) over vrouwelijk politiek leiderschap. Deze uitspraak leidde op sociale media en in De Nationale Assemblee tot veel discussie. Nieuwsgierig geworden zocht ik het volledige fragment op en luisterde ik naar  zijn toelichting op Radio ABC. De kern van zijn uitspraak luidde als volgt: “Nóóit meer moet Suriname de fout maken om een vrouwelijke president te kiezen. Van mannen verwachten we verantwoordelijkheid. Mannen worden ter verantwoording geroepen. Maar bij een vrouw is het vaak: tye pôti, misschien wist ze het niet. We moeten niet zo met haar doen. Ze is een vrouw. Ik discrimineer niet. Ik zeg het zoals het is.”

Kritiek of generalisatie?

Deze uitspraak zette mij aan het denken. Niet omdat een president niet bekritiseerd zou mogen worden. Integendeel. In een democratische rechtsstaat moet iedere bestuurder kritisch gevolgd en ter verantwoording geroepen kunnen worden. President Jennifer Simons is daarop geen uitzondering. Toch gaat de uitspraak van Van Samson verder dan alleen kritiek op het beleid van een president. Hij stelt dat president Simons vanwege haar vrouw-zijn anders wordt beoordeeld en verbindt daaraan de conclusie dat Suriname nooit meer een vrouwelijke president zou moeten kiezen. Daarmee verschuift de discussie over de vermeende voorkeursbehandeling van een vrouwelijke president naar een oordeel over vrouwen als groep. 

Ik zeg het zoals het is

illustratie AI gegenereerd Copy

Wat mij bovendien opvalt, is de toevoeging: Ik discrimineer niet. Ik zeg het zoals het is.” Die uitspraak lijkt de indruk te wekken dat hier sprake zou zijn van een objectieve constatering. De sociale wetenschappen laten juist zien dat wat wij als ‘de werkelijkheid’ beschouwen nooit volledig neutraal is. Onze opvattingen worden gevormd door de samenleving waarin wij opgroeien, door culturele normen en door diepgewortelde ideeën over mannelijkheid, vrouwelijkheid en leiderschap. Juist daarom is het relevant om te vragen welke opvattingen over vrouwelijkheid en politiek leiderschap aan deze conclusie ten grondslag liggen.

Op een conferentie van de ‘Caribbean Association of Feminist Research and Action in 1996’ zei professor Eudine Barriteau van de ‘University of the West Indies’ dat “mensen vrouwen haten.” Dit is mij altijd bijgebleven. Toen vond ik die uitspraak provocerend. Pas later begreep ik dat zij ons niet zozeer opriep om na te denken over individuele gevoelens van haat, maar over maatschappelijke structuren waarin vrouwen systematisch ongelijk worden beoordeeld ten opzichte van mannen en waarin hun legitimiteit telkens opnieuw ter discussie wordt gesteld zodra zij macht uitoefenen. De uitspraak van Van Samson bracht mij terug naar die conferentie. Niet omdat ik denk dat hij vrouwen haat, maar omdat zijn woorden een perspectief weerspiegelen waarin de veronderstelling dat vrouwen als politieke leiders minder kritisch worden beoordeeld, wordt aangegrepen om hun geschiktheid voor het presidentschap in twijfel te trekken. Juist dat mechanisme herken ik in de redenering van Van Samson, omdat hij vanuit één vrouwelijke president een conclusie trekt over vrouwen als categorie. Daarmee wordt de  vermeende behandeling van een vrouwelijke president een maatstaf voor een hele groep.

Dubbele maatstaf

Sinds Suriname onafhankelijk is, heeft het land negen mannelijke presidenten gehad. Onder hun leiderschap heeft ons land financieel-economische crises, politieke instabiliteit, corruptieschandalen, mensenrechtenschendingen en bestuurlijke problemen meegemaakt. Zij zijn – terecht – bekritiseerd op hun beleid, hun besluiten en hun leiderschap. Maar voor zover ik weet, heeft niemand daaruit de conclusie getrokken dat mannen daarom ongeschikt zouden zijn om een land te besturen of dat wij nooit meer een man als president zouden moeten kiezen. Opvallend is dat Van Samson deze redenering niet toepast op mannelijke presidenten. Ook zij werden, ondanks forse kritiek op hun beleid, regelmatig verdedigd door parlementariërs en partijgenoten uit hun eigen politieke achterban. Steun van de eigen achterban bij mannelijke presidenten leidt voor Van Samson niet tot de conclusie dat mannen daardoor minder kritisch worden beoordeeld. Bij een vrouwelijke president verbindt hij aan een vergelijkbare veronderstelling wél de conclusie dat vrouwen als groep ongeschikt zouden zijn voor het presidentschap. Dat is precies waar de dubbele maatstaf zichtbaar wordt.

Van Samson onderbouwt zijn standpunt met de stelling dat president Simons minder kritiek zou krijgen omdat zij een vrouw is. Hij verwijst daarbij naar de kritiek op haar voorganger en naar ‘geluiden’ die hij zegt te hebben gehoord dat de president ‘als vrouw een kans moet krijgen, omdat we allemaal uit een vrouw komen.’ Die redenering overtuigt echter niet. Wie de berichtgeving in de media en op sociale media volgt, ziet dat president Simons juist volop kritisch wordt gevolgd. Zij wordt niet alleen bekritiseerd op haar beleid, maar ook op haar uiterlijk, kleding, leeftijd en haar vrouw-zijn. Dat maakt de conclusie van Van Samson dat Suriname “nooit meer een vrouw als president” zou moeten kiezen niet overtuigend. Als we dezelfde redenering zouden toepassen op etniciteit, religie of politieke voorkeur, zouden we grote delen van de bevolking uitsluiten van politiek leiderschap. Wie blijft er dan nog over?

Meer dan een politieke uitspraak

De uitspraak van de parlementariër roept ook een bredere vraag op. Welk signaal wordt hiermee afgegeven aan vrouwen met politieke ambities? Aan jonge vrouwen die overwegen zich kandidaat te stellen voor De Nationale Assemblée, een ministerspost of het voorzitterschap van een politieke partij? Wanneer uit de vermeende voorkeursbehandeling van één vrouwelijke president de conclusie wordt getrokken dat vrouwen als groep ongeschikt zouden zijn voor politiek leiderschap, raakt dat aan de kern van onze democratische rechtsstaat en het algemeen kiesrecht. In een democratie behoort iedere kandidaat op basis van zijn of haar eigen handelen, visie en bestuurlijke kwaliteiten te worden beoordeeld. Zodra het geslacht van één bestuurder aanleiding geeft om een hele groep uit te sluiten, verschuift het debat van individuele verantwoordelijkheid naar collectieve uitsluiting. Juist daarom zie ik in deze redenering aanleiding om het gesprek te voeren over de opvattingen over gender en politiek leiderschap die wij vaak als vanzelfsprekend beschouwen.-.

Geef een reactie