Jrg 23 no 4 juli 2026
Tekst Carla Bakboord
De afgelopen maanden hoor ik steeds dezelfde vraag. Ik lees het op Facebook, hoor het tijdens gesprekken binnen mijn eigen netwerk en vang het op wanneer ik door de stad loop. Sociale media zijn geen afspiegeling van de hele samenleving en persoonlijke gesprekken vertellen nooit het hele verhaal. Maar samen laten ze wel zien welke vragen, zorgen en soms ook welk wantrouwen onder een deel van de bevolking leven. Eén vraag springt daarbij steeds opnieuw naar voren: heeft Suriname echt geen geld?
Wat betekent “er is geen geld” eigenlijk?
Suriname heeft sinds de onafhankelijkheid in 1975 miljarden aan ontwikkelingshulp ontvangen en daarnaast miljarden verdiend aan natuurlijke hulpbronnen, zoals bauxiet, olie, goud en hout. Toch kampen sociale instellingen, de gezondheidszorg en het onderwijs al jaren met tekorten. Hoe kan dat? Waarom leeft een groot deel van de bevolking nog steeds in armoede? En hoe komt het dat voor sommige uitgaven ogenschijnlijk altijd geld beschikbaar is, terwijl voor andere steeds opnieuw wordt gezegd: ‘er is geen geld’
Om die vraag beter te begrijpen, vroeg ik econoom Steven Debipersad om de situatie zo eenvoudig mogelijk uit te leggen. Niet voor economen of beleidsmakers, maar voor gewone burgers die willen begrijpen hoe het kan dat een land met zoveel inkomsten toch voortdurend met geldgebrek lijkt te kampen. Volgens Debipersad begint het antwoord niet bij de vraag hoeveel geld de overheid heeft. De eerste vraag zou volgens hem moeten zijn: waarvoor is het beschikbare geld eigenlijk bedoeld? “Het is gemakkelijk voor de overheid om het argument te gebruiken dat er geen geld is, maar het moet wel in een context worden geplaatst,” zegt hij.
Volgens Debipersad moet de eerste vraag dus niet zijn óf er geld is, maar waarvoor het beschikbare geld is bestemd. Het antwoord daarop is volgens hem terug te vinden in de overheidsbegroting. Daarin staat hoeveel geld de overheid verwacht binnen te krijgen, maar ook welke uitgaven zij gedurende het jaar heeft gepland en welke verplichtingen zij is aangegaan. Pas dan kun je volgens hem beoordelen of er werkelijk onvoldoende geld is of dat er andere keuzes worden gemaakt. Je kunt de begroting vergelijken met het huishoudboekje van een gezin. Daarin staat hoeveel geld er binnenkomt, welke rekeningen eerst moeten worden betaald en hoeveel ruimte er daarna nog overblijft voor andere uitgaven.

Geen gunst, maar een verplichting
Een ander punt dat Debipersad belangrijk vindt, is de manier waarop we praten over financiële steun aan sociale instellingen. Veel mensen noemen die betalingen een subsidie. Volgens hem is dat niet helemaal juist.” Een subsidie klinkt eerder als een gift”, zegt hij. “Maar dit is een harde toezegging die de overheid moet nakomen.”
Met andere woorden: wanneer de overheid in haar begroting geld reserveert voor opvangtehuizen, zorginstellingen of organisaties die kwetsbare groepen ondersteunen, is dat geen gunst die zij naar eigen inzicht kan uitdelen. Die organisaties mogen erop vertrouwen dat de afgesproken middelen beschikbaar komen. Veel instellingen hebben iedere maand vaste kosten, zoals salarissen, huur, elektriciteit en de zorg voor hun cliënten. Blijven de betalingen uit, dan brengt dat niet alleen hun werk in gevaar, maar tast het volgens Debipersad ook het vertrouwen aan dat burgers en organisaties in de overheid mogen hebben.
Hoe ernstig is de situatie?
Dat Suriname financieel onder druk staat, staat voor Debipersad buiten kijf. Volgens hem is de staatsschuld inmiddels groter dan de waarde van alles wat de Surinaamse economie in een jaar produceert. Dat maakt de financiële ruimte van de overheid beperkt. Een groot deel van de inkomsten gaat namelijk eerst naar het aflossen van schulden en het betalen van rente. Wat dan overblijft, kan daarna worden besteed aan zaken als onderwijs, gezondheidszorg, sociale voorzieningen en andere overheidsuitgaven. “Het water staat tot aan de lippen”, zegt Debipersad. Dit betekent volgens hem niet dat Suriname helemaal geen geld heeft. Het betekent wel dat de overheid veel minder ruimte heeft om nieuwe uitgaven te doen en daarom voortdurend keuzes moet maken.
Waarom is er dan voor sommige dingen wél geld?
Als de overheid zegt dat er geen geld is, hoe kan het dan dat bepaalde uitgaven wél worden gedaan? Waarom kunnen sommige salarissen worden verhoogd, buitenlandse dienstreizen bekostigd, terwijl sociale instellingen soms maanden moeten wachten op wat hen toekomt? Volgens Debipersad zit het antwoord in de keuzes die een overheid maakt. Niet iedere uitgave heeft dezelfde prioriteit. Bovendien zijn er uitgaven waaraan de overheid zich niet zomaar kan onttrekken, zoals het aflossen van schulden en het betalen van rente. Tegelijkertijd benadrukt hij dat de financiële situatie van Suriname ernstig is. Dat neemt volgens hem niet weg dat burgers zich mogen afvragen waarom bepaalde uitgaven voorrang krijgen op anderen. Juist daarom is transparantie noodzakelijk. Burgers hebben er recht op geïnformeerd te worden over de keuzes die de overheid maakt en waarom zij besluit dat bepaalde uitgaven voorrang krijgen. Kennelijk vindt zij die belangrijker. Dat roept vragen op over de uitgaven voor de gezondheidszorg en het onderwijs.
De echte vraag
Tijdens ons gesprek realiseer ik me dat de vraag “Heeft Suriname geld?” misschien niet de belangrijkste vraag is. De uitleg van Debipersad laat zien dat de werkelijkheid ingewikkelder is. Suriname heeft inkomsten, maar ook hoge schulden en financiële verplichtingen. Daardoor is de ruimte om nieuw geld uit te geven beperkt. Tegelijkertijd blijft er altijd ruimte voor keuzes. En juist die keuzes bepalen welke sectoren voorrang krijgen en welke achtergesteld worden.
Misschien moeten we daarom een andere vraag stellen. Niet óf er geld is, maar ‘hoe wordt het beschikbare geld besteed?’. Want achter de uitspraak ‘er is geen geld’ gaat een veel groter verhaal schuil. Een verhaal over begrotingen, schulden, prioriteiten en politieke keuzes. Juist daarom is het belangrijk dat burgers blijven vragen. Omdat het om publiek geld gaat, geld dat van ons allemaal is.